Premies zijn van werknemers

2 juni 2026

Mirjam de Rijk

Door alle sluiproutes, belastingcadeautjes en financiële vluchtheuvels is het belastingstelsel in Nederland een stuk minder progressief dan het oogt. Vooral de rijken profiteren – en de bedrijvenlobby wil dat graag zo houden.

Gepubliceerd in De Groene Amsterdammer Nr. 22 / 27 mei 2026

‘Toon me de belastingtarieven en ik zeg u in wat voor land u woont.’ Het is een mooie zin, ik had veel zin om hem op te schrijven. Het belastingstelsel zegt immers veel over de waarde die een land hecht aan publieke uitgaven, en hoe er gedacht wordt over wie dat geld moeten opbrengen.

Alleen: de belastingtarieven zeggen steeds minder. In letterlijke zin klopt het waarschijnlijk nog wel, dat de tarieven veelzeggend zijn over hoe er gedacht wordt.

Nederland heeft, als het over inkomens gaat, nog steeds een progressief belastingstelsel, zij het veel minder progressief dan vijftig jaar geleden. Maar tarieven zeggen steeds minder over wat er werkelijk gebeurt. Hoeveel er binnenkomt en wie wat opbrengt hangt namelijk in de praktijk vooral af van de sluiproutes om belasting te ontwijken, de belastingcadeautjes, de vluchtheuvels. Dat bleek onlangs weer uit het veelbesproken rapport van het Centraal Planbureau. De werkelijke ‘belastingdruk’ is juist voor de rijksten het laagst. Niet doordat er voor hen lagere tarieven gelden, maar door alle ontwijkingsmogelijkheden. Mogelijkheden die vrijwel nooit per ongeluk zijn ontstaan, maar bewust gecreëerd door fiscalisten, juristen en lobbyisten. Goedgekeurd door politieke meerderheden maar zonder echt debat, want daar is het allemaal te financieel-technisch voor.

Juist omdat de officiële belastingtarieven steeds minder zeggen, is het nuttig om in de gaten te houden wat er in de werkelijkheid gebeurt. Voor 2025 is dat weer tamelijk onthutsend, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bedrijven droegen over hun winst vorig jaar 49 miljard euro af, werknemers 137 miljard. Dat zegt op zichzelf misschien nog niet zoveel, maar wel als je weet dat het totale bedrag aan brutoloon (405 miljard euro) en het totale bedrag aan brutowinst (381 miljard) over het jaar 2025 elkaar niet zoveel ontlopen. En dan hebben we de winst van de financiële sector nog niet eens meegerekend. Werkenden dragen naar verhouding dus heel veel meer af.

Voor wie nu roept dat bedrijven hun winst gebruiken voor investeringen: dat gaat in de praktijk maar over een schijntje van de totale winst, er blijven na investeringen nog honderden miljarden over. En dat wringt, want alles wat bedrijven overhouden komt uiteindelijk bij aandeelhouders terecht.

Maar volgens PwC, een van de kantoren die bedrijven helpt hun belastingaanslag laag te houden, zit het heel anders. Vorige week publiceerde de consultancymultinational het rapport De totale belastingbijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven in 2025. Die bijdrage is maar liefst 119 miljard euro, stelt PwC. De Telegraaf had de primeur, vergezeld van een interview met PwC-hoofdeconoom Barbara Baarsma die waarschuwt dat de politiek weleens wat aardiger voor bedrijven mag zijn.

Hoe PwC aan dit hoge bedrag komt? Vooral door de premies mee te tellen die werkgevers afdragen. Het gaat dan om de premies voor arbeidsongeschiktheid en WW. Het klinkt misschien logisch om dat premiegeld te zien als bijdrage van bedrijven aan de samenleving, maar dat is het niet. Want dat geld maakt deel uit van de beloning van werknemers. Als werkgevers en vakbonden onderhandelen over de lonen, gaat een deel van de ‘loonruimte’ op aan de premies voor arbeidsongeschiktheid en WW. Het is dus eigenlijk geld van werknemers. Hoeveel een bedrijf betaalt is afhankelijk van de hoeveelheid werknemers, niet van de winst.

De PwC-redenering klinkt de laatste tijd vaker vanuit de bedrijvenlobby. Nu almaar duidelijker wordt dat grote winstgevende bedrijven slechts een schijntje bijdragen aan de publieke zaak, is dit hun vlucht naar voren.

Er is ook nog iets anders aan de hand. Met genoemde premies worden fondsen gevuld en die fondsen voor de arbeidsongeschiktheid en voor de WW zitten op het moment overvol. De werkgevers azen op het geld in deze spaarpotten. Vandaar dat ze overal roepen dat dit geld door hen is opgebracht, en niet door werknemers. Het is de strijd tussen arbeid en kapitaal in een zoveelste jasje. Daaronder ligt natuurlijk een veel grotere vraag: wie werkt eigenlijk de opbrengst van bedrijven en de huidige winsten bij elkaar?

Kantoren aan de Zuidas in Amsterdam © Joris van Gennip / ANP